Bij onderzoek voorafgaand aan de aanleg van een nieuw verkeersknooppunt ontdekten archeologen onlangs de resten van een nederzetting uit de ijstijd.

Tussen 24.000 en 22.000 voor Christus was de vlakte van de Saône een koude en uitgestrekte steppe. Er groeide weinig: de kruidachtige planten waren bestand tegen de extreme omstandigheden. Het gebied werd bevolkt door kuddes planteneters, zoals rendieren, paarden, bizons en mammoeten.

De Solutrean hielden er jachtexpedities. Er is weinig bekend over dit prehistorische volk. Maar eind 2023 legden archeologen bij Fragnes-la-Loyère, ten noorden van Chalon-sur-Saône, een Solutrean nederzetting bloot. Die lag op een helling boven de Thalie, een zijrivier van de Saône. Deze vondst levert een schat aan nieuwe informatie op.

De opgravingen werden uitgevoerd door INRAP het Institut National de Recherches Archéologiques Préventives (Nationaal Instituut voor Preventief Archeologisch Onderzoek) dat in Frankrijk, voorafgaand aan grondwerkzaamheden in de publieke en private sector, onderzoek doet om archeologisch erfgoed veilig te stellen.

Tussen september en december 2023 spitte INRAP in Fragnes-la-Loyère een gebied van 6.000 m2 uit omdat daar een nieuw snelwegknooppunt van de A6 zou worden aangelegd. Daarbij stuitte het team op overblijfselen uit de ijstijd die het Laatste Glaciale Maximum wordt genoemd. De resten dateren uit de periode van 24.000 tot 22.000 voor Christus (Oude Solutrean) en werden op 40 tot 50 centimeter onder de grond gevonden. De stenen voorwerpen zijn goed bewaard gebleven. Door de natuurlijke zuurgraad van de bodem waren er geen botresten meer.

Vuurstenen gereedschappen

Op een ovalen oppervlak van 5 meter lengte en 4 meter breedte haalde de archeologen ruim 4.000 objecten van vuursteen, afkomstig uit de Châlonnais en de Mâconnais, naar boven. Vuursteen was het staal van de oudheid. In het kamp lagen resten van alle bewerkingsfasen van deze steensoort: ruwe blokken, messen, gereedschappen en afval. Op sommige plekken zelfs zo’n 300 stuks per m2. De Solutrean gebruikten hamers van zachte steen en zandsteen. Ook de beitels waarmee ze werkten, werden bij deze opgraving aangetroffen.

In Fragnes-la-Loyère zijn vooral “platte punten” (puntige messen) opgegraven. Omdat er weinig diversiteit is in de gereedschappen, denken de onderzoekers aan gespecialiseerde werkzaamheden die op deze plek werden uitgevoerd. Sporenonderzoek moet uitwijzen waarvoor ze precies werden gebruikt. Verdere bestudering van de wijze waarop ze over het oppervlak waren verspreid, zal helpen om de organisatie van het kamp nauwkeuriger in beeld te krijgen.

De Solutrean (24.000 tot 20.000 voor Christus) danken hun naam aan de vondsten die in 1866 aan de voet van de Rots van Solutrée gedaan. Typerend voor de middelste en latere fasen van de Solutrean zijn grote tweezijdige stukken vuursteen (“laurierbladeren” genaamd) en ingekerfde punten. De vroegere Solutrean kenmerkt zich door platte punten. Mogelijk werden in deze cultuur de oognaald en de boegschroef uitgevonden.

De vondst in Fragnes-la-Loyère betekent veel voor de kennis over de Solutrean. Deze locatie vult bovendien een stukje in van het gat tussen het noorden van Bourgondië (grotten van Arcy-sur-Cure) en de streek ten zuiden van Bourgondië (grotten van Baume d’Oullins en Chabot).

Volgens INRAP is het nog te vroeg om aan te geven of de opgegraven voorwerpen geëxposeerd worden, en waar en wanneer dat eventueel zou gebeuren. Ze worden eerst nader onderzocht.

 

Tekst: Myra PRINSEN
Foto’s: ©INRAP
Met dank aan INRAP